maandag 5 januari 2015

Wetenschappers versus luizen en mijten

Er zijn voor en tegenstanders van Europa. Nu Engeland weer dreigt om uit de europese unie te stappen, wordt alles weer actueel. Toch zijn er zaken die uitstekend Europees moeten gereglementeerd worden. Dit om bijvoorbeeld milieuverontreiniging grootser aan te pakken. Over minder dan twee maanden moeten alle Europese lidstaten hun nationaal actieplan inzake Integrated Pest Management (IPM) communiceren. Dit wordt best Europees aangepakt. Als enkele lidstaten dit doen, worden de doelstellingen niet gehaald. 
Nu is de vraag wel of  Vlaamse land- en tuinbouwers op het vlak van duurzaam pesticidengebruik er klaar voor zijn. Europa dringt al sinds 2002 aan op alternatieve vormen van gewasbescherming, met minder impact op mens en milieu. Er is nog veel onderzoek nodig, ook dat kan Europees geleid en gefinancieerd worden. 

 
Uit het Milieurapport (MIRA) van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt dat het totaal gebruik (landbouw en niet-landbouw, nvdr.) van gewasbeschermingsmiddelen in Vlaanderen met 32 procent is gedaald tussen 1990 en 2008. Verschillende factoren hebben bijgedragen aan die daling: betere spuitmachines en gewasbeschermingsmiddelen, efficiëntere doseringen en formuleringen van de middelen, strengere residucontroles én de introductie van biologische en geïntegreerde ziekte- en plaagbestrijding. De verbetering van de milieudruk op het waterleven stagneert evenwel sinds het verbod op de meest toxische stoffen begin jaren 2000. De gemiddelde dosis per hectare ligt nog steeds hoog omdat in onze regio op een relatief kleine oppervlakte intensief aan landbouw wordt gedaan.
De bedoeling van de Europese richtlijn is dat het Integrated Pest Management (IPM) economisch haalbaar moet blijven. Wanneer ziekten of plagen in het gewas opduiken, grijpt de landbouwer in, bij voorkeur via niet-chemische bestrijding.
De Europese richtlijn dicteert namelijk dat “duurzame biologische, fysische en andere niet-chemische methoden verkozen moeten worden boven chemische gewasbeschermingsmiddelen, op voorwaarde dat ze de ziekte of plaag afdoende kunnen bestrijden”. 
Een bespuiting met herbiciden wordt bijvoorbeeld vervangen door mechanische onkruidbestrijding en insecten worden niet bestreden met insecticiden maar door het inzetten van natuurlijke vijanden zoals het lieveheersbeestje tegen bladluizen.

“De groente- en sierteelt onder glas, de boomkwekerij en de fruitsector staan al het verst met IPM”, vertelt Martine Maes, wetenschappelijk directeur gewasbescherming bij ILVO. “In gesloten serres is het net iets makkelijker om natuurlijke vijanden tegen plaaginsecten in te zetten. Er zijn al meerdere commerciële producten op de markt om bepaalde insecten of mijten te bestrijden met predatoren en parasieten. Een natuurlijk evenwicht kan ook opgebouwd worden in meerjarige gewassen zoals fruitbomen, houtige sierplanten en bomen.

Natuurlijke vijanden hebben er meer tijd om zich te vestigen zodat een grote populatie aanwezig is als een ziekte of plaag dreigt. Vaak bestaat in die deelsectoren reeds een goed georganiseerd waarschuwingssysteem voor plaaginsecten, mijten en schimmels. Daardoor kunnen telers afstappen van zogenaamde kalenderbespuitingen en met veel minder en meer gerichte behandelingen hetzelfde resultaat bekomen.


IPM is het best ingeburgerd voor schadelijke insecten en mijten en minder goed als het gaat om nematoden en micro-organismen zoals schimmels, virussen en bacteriën. “In de boomkwekerij en containerteelt zijn er sinds lang problemen met taxuskevers en aanverwante snuitkevers die in het larvenstadium flinke schade aanbrengen aan de wortels. Door wetenschappelijke observaties weten we intussen hoe die kevers zich precies gedragen”, illustreert ILVO-entomoloog Hans Casteels. ILVO bepaalde het juiste ontluikingstijdstip van de kevers.
Vervolgens werden de telers opgeleid om te spuiten onmiddellijk na de ontluiking maar voor de eileg zodat zij de kevers kunnen treffen.  Gelijkaardige systemen zijn met ondersteuning door ILVO op punt gezet voor een aantal galmuggen, bladluizen, schildluizen, bladvlooien, spintmijten, enz. Ondertussen bestaat er een waarschuwingssysteem voor een 50-tal insecten en mijten en een aantal schimmels.
Milieubescherming via gewasbescherming daagt hiermee de wetenschappelijke wereld uit om hen in te lichten en meer alternatieven te vinden tegen hardnekkige plagen. “Er ontbreekt nog enorm veel basiskennis rond plantenpathogenen”, verklaart Casteels. “Op ILVO alleen al zoeken we met een 30-tal onderzoekers naar gerichte methoden voor de beheersing van schadelijke insecten, mijten, virussen, bacteriën, schimmels en nematoden. Steeds vaker ontwikkelen we moleculaire technieken om ze te catalogiseren, detecteren en kwantificeren. Tegelijk bestuderen we de samenhang met de omgeving en met de plant. Waarom en hoe laat de plant zich aanvallen en ziek maken? Hoe gedraagt het pathogeen organisme zich in en rondom de zich ontwikkelende plant? Die kennis laat landbouwers toe om gewasbeschermingsmiddelen veel gerichter aan te wenden en/of de meest probate hygiënische maatregelen te nemen zodat het middelenverbruik omlaag kan. In het beste geval gaan de telers aan de slag met andere dan chemische middelen, bijvoorbeeld met de natuurlijke vijanden van een insect die wij op het spoor zijn gekomen.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen